Elektrocultuur in Nederland: van Andijk 1909 tot je eigen moestuin
Van een tuinattractie in Andijk tot een proef van Philips in de Beemster: de vergeten Nederlandse geschiedenis van elektrocultuur.
Geschreven en op bronnen gecontroleerd door de redactie van Kopero · Bijgewerkt op 17-9-2026
Denk je bij elektrocultuur aan Frankrijk of Engeland, dan mis je een belangrijk stuk van het verhaal. Nederland had namelijk zijn eigen elektrocultuurgeschiedenis, met een tuinattractie in Andijk, een proef van Philips in de Beemster en zeventig hectare op de Hoge Veluwe. Hieronder lees je hoe dat precies zat.
In het kort
- Op 14 juni 1909 opende in Andijk een elektrocultuurinstallatie die je tegen betaling kon bezichtigen.
- Diezelfde zomer legde de firma Boeke & Huidekoper vijf hectare elektrocultuur aan in de Haarlemmermeer.
- De uitkomsten daarvan, gepubliceerd in 1910: aardbei +128%, suikerbiet tot +140%, boon +52%, aardappel +40%.
- Begin 1920 bereidden Philips, met dr. Gilles Holst, en het Provinciaal Electriciteitsbedrijf een grote proef voor in de Beemster.
- In 1931 kreeg de Hoge Veluwe een proef van zeventig hectare, in het bijzijn van de burgemeesters van Apeldoorn en Barneveld.
- In Frankrijk liet Christofleaus klant Claret in 1922 een deurwaarder officieel meer dan het dubbele aan druivenoogst vastleggen.
Andijk, 1909: een tuinattractie met kaartverkoop
Op 14 juni 1909 opende in het Noord-Hollandse Andijk een elektrocultuurinstallatie die je gewoon kon komen bekijken, tegen betaling. Dorpsgenoten Jb. Prins Gz., W. Kooiman P.Pz. en G. Prins Jbz. lieten bezoekers voor vijftig cent binnen; niet-Andijkers betaalden een gulden, en wie vaker wilde komen kocht een jaarkaart voor twee gulden vijftig. Elektrocultuur was in 1909 dus niet een obscuur idee van een enkeling, maar een lokale attractie waar mensen speciaal voor uitweken.
Diezelfde zomer legde de firma Boeke & Huidekoper uit Groningen en Haarlem, onder leiding van ingenieur R. Harkema, vijf hectare elektrocultuur aan op hoeve "Mentz" in de Haarlemmermeer, voor de helft beplant met suikerbieten. De aankondiging beloofde tussen de 25 en 120 procent meer oogst.
De Haarlemmermeer: de cijfers op papier
Een jaar later, in de zomer van 1910, publiceerden de Utrechtse kranten de uitkomsten van die proef. Aardbeien gaven 128 procent meer op, suikerbieten tussen de 120 en 140 procent, bonen 52 procent en aardappelen 40 procent, met een gemiddelde die de kranten op "30 à 35 pct." zetten. De kosten: duizend honderd gulden voor de aanleg van drie hectare, negentig gulden per hectare per jaar aan onderhoud. Voor die tijd was dat een aanzienlijke investering, en de resultaten werden breed uitgemeten.

Philips en het Provinciaal Electriciteitsbedrijf: de Beemster-proef van 1920
Elektrocultuur trok in Nederland ook grote namen aan. Begin 1920 bereidden het Provinciaal Electriciteitsbedrijf van Noord-Holland, Smit's Transformatorenfabriek uit Nijmegen en Philips, met dr. Gilles Holst als betrokken natuurkundige, een proef voor in de Beemster. Het plan: gewone 220 volt draaistroom via Philips-gelijkrichters opvoeren tot 70.000 à 100.000 volt. Rijkslandbouwleraar C. Nobel uit Haarlem en J.A.J. Sybrandi van het elektriciteitsbedrijf waren erbij betrokken. Dat een instituut als Philips en een provinciaal energiebedrijf hun tijd en technici in zo'n proef staken, laat zien hoe serieus het onderwerp destijds werd genomen.
De Hoge Veluwe, 1931: zeventig hectare in het bijzijn van twee burgemeesters
Het grootste Nederlandse experiment kwam in 1931. Op zeventig hectare grond van D. Bos bij Nieuw-Milligen, op wat de kranten "de alleronvruchtbaarste grond van de Hooge Veluwe" noemden, installeerde P. Lépine uit Toulouse zijn systeem: metalen palen met koperen of verzinkt ijzeren draad de grond in. Er werden meerdere percelen naast elkaar aangelegd, en de Nederlandsche Heidemaatschappij leverde twee vergelijkingspercelen met gras, klaver en lupine. De burgemeesters van Apeldoorn en Barneveld waren aanwezig bij de opening, en W. baron van Nagell toonde zich in de pers optimistisch over de kansen voor deze arme zandgrond.
Frankrijk als inspiratie: een druivenoogst met deurwaardersakte
Terwijl in Nederland ambtenaren en ingenieurs experimenteerden, bouwde de Fransman Justin Christofleau in dezelfde jaren zijn eigen naam op met kleinschaligere, maar opvallend gedocumenteerde resultaten. Bij zijn klant Claret in Vertus liet een deurwaarder in 1922 officieel vastleggen dat 924 met het toestel behandelde druivenstokken honderd comportes druiven opleverden, tegenover 199 comportes van tweeduizend onbehandelde stokken bij een buurman. Christofleaus boek, dat in Nederlandse en Vlaamse kranten van de jaren dertig regelmatig werd aangehaald, vermeldde ook een wijngaard in Vertus die van 600 naar 1016 kilo druiven ging. Datzelfde principe, een geleidende staaf in de grond, is precies waar de koperen elektrocultuurantennes van vandaag op voortbouwen.
Een traditie om zelf voort te zetten
Van de kaartjesverkoop in Andijk tot de Philips-ingenieurs in de Beemster: Nederland heeft een eigen, rijke elektrocultuurgeschiedenis, ook al is die weinig bekend. Wat al die negentiende- en twintigste-eeuwse tuiniers en ingenieurs gemeen hadden, was vooral nieuwsgierigheid: ze zetten iets neer, keken wat er gebeurde, en vertelden het door. Dat is precies waar een koperen elektrocultuurantenne vandaag nog steeds toe uitnodigt. Hoe je hem het beste plaatst, lees je in elektrocultuur-antennes plaatsen, en de bredere geschiedenis van Nollet tot Lakhovsky staat in elektrocultuur: een eeuwenoude tuiniertraditie herontdekt.








